Dit artikel is de integrale versie van het artikel in het Tijdschrift nr. 56 (Najaar 2011)
Inzet van vrijwilligers bij het natuurbeheer
A.A. Mabelis
Beheerders van natuurterreinen zijn steeds meer afhankelijk van de inzet van vrijwilligers, zeker nu ze door extreme bezuinigingen worden getroffen. Vrijwilligers kunnen beroepsmensen niet vervangen, maar ze kunnen wel een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de natuurdoelstellingen.
In onze gemeente zetten veel vrijwilligers zich in voor natuur en landschap. Sommigen verrichten bepaalde beheerwerkzaamheden, terwijl anderen zich nuttig maken met het inventariseren van soorten of zich inzetten voor natuureducatie. Zonder hun inbreng zou veel werk blijven liggen. De doelmatigheid van het werk kan echter worden vergroot door in een vroeg stadium doel en werkwijze met alle betrokkenen te bespreken. Dat is belangrijk voor een goed contact tussen terreinbeheerders en vrijwilligers en ook tussen vrijwilligers onderling. Het resultaat van zulk overleg kan via de pers of tijdens een voorlichtingsbijeenkomst openbaar worden gemaakt. Dit voorkomt niet alleen nodeloze drukte over impopulaire maatregelen, maar kan ook nieuwe vrijwilligers opleveren.
Terreinbeheer
Voor het verrichten van bepaalde beheermaatregelen zijn terreinbeheerders tegenwoordig afhankelijk van de inzet van vrijwilligers. Zo heeft de boswachter van Het Utrechts Landschap de hulp ingeroepen van de Werkgroep Landschaps- en Bosbeheer om een perceel eikenhakhout af te zetten in het Amerongse bos. Dit is gebeurd in de winter 2009-2010 (fig. 1 Hakhoutbeheer in Amerongse bos) Verder heeft hij verzocht het bos te willen ontdoen van de Amerikaanse vogelkers. Dit werk is verricht in de winter 2010-2011. Leden van deze werkgroep hebben zich ook verdienstelijk gemaakt met het knotten van wilgen, het verwijderen van opslag uit een heideterrein en het afzetten van een houtwal.
De samenwerking tussen beheerders en vrijwilligers is in het algemeen goed maar kan zeker nog verder worden verbeterd. Zo zouden doel en methode van de te nemen maatregelen vooraf moeten worden besproken, bijvoorbeeld het gebruik van glyfosaat bij het bestrijden van de Amerikaanse vogelkers. Bovendien kunnen in het veld nadere instructies worden gegeven en kan er gewezen te worden op kwetsbare en beschermde soorten waarmee bij de werkzaamheden rekening moet worden gehouden. Weliswaar bezitten beheerders doorgaans een bepaalde kennis van het voorkomen van soorten, maar die kan ruimschoots worden aangevuld met de kennis van deskundigen. Deze zijn veelal lid van een Werkgroep van onze Vereniging of van de Adviesgroep Natuurbeheer van de gemeente. Sommigen zijn in groepsverband actief in het terreinbeheer, terwijl anderen individueel gegevens verzamelen over het voorkomen van soorten. De communicatie tussen vrijwilligers die beheermaatregelen uitvoeren en vrijwilligers die een terrein inventariseren op het voorkomen van soorten verloopt echter nog wat moeizaam (Fig. 2 Het contact tussen vrijwilligers die waarnemen en vrijwilligers die beheermaatregelen uitvoeren zou kunnen worden verbeterd). Zo kan een beheergroep bijvoorbeeld een rij wilgen gaan knotten zonder bij een uilendeskundige te informeren of in één van die wilgen een steenuil heeft gebroed. Toch wil iedereen voorkomen dat soorten verdwijnen. Informatie zou daarom beter moeten worden uitgewisseld.
Als vrijwilligers een bepaalde beheertaak op zich willen nemen is het gewenst dit in een simpele overeenkomst vast te leggen. Daarbij is het van belang ook afspraken te maken over eventuele nazorg. Die is zeker nodig bij werkzaamheden ter bestrijding van de Amerikaanse vogelkers *1. Medeverantwoordelijkheid is echter alleen mogelijk wanneer burgers een zekere ruimte krijgen om hun werk zelf in te vullen. Zo is tussen de beheerder van het Amerongse Bos en mijzelf schriftelijk vastgelegd een open plek in het bos, die dichtgegroeid was met Japanse duizendknoop en Adelaarsvaren, weer open te maken ten behoeve van bosinsecten. In dit geval gaat het om een proefproject omdat de planten weer zullen uitlopen en de maatregel herhaald zal moeten worden. Zo komt mijn bijdrage op een persoonlijke en zichtbare manier tot uiting. Veel mensen zijn bereid op die manier een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van hun leefomgeving. Dat geldt ook voor zoiets als het opruimen van zwerfafval.
Inventarisaties
Om de natuurkwaliteit van terreinen in stand te kunnen houden zijn beheermaatregelen vaak noodzakelijk. In ons land zijn natuurterreinen immers te klein om aan hun lot over te kunnen laten. Maatregelen worden tegenwoordig meestal machinaal uitgevoerd. Erg subtiel kan dat niet gebeuren. Weliswaar zal de beheerder proberen zoveel mogelijk rekening te houden met kwetsbare en zeldzame soorten, maar dat kan alleen als hij over gegevens beschikt. Een terreinbeheerder kan de kwaliteit van een terrein globaal volgen aan de hand van veranderingen in de structuur en soortensamenstelling van de vegetatie. Voor het bewaken van de natuurkwaliteit is dit echter niet voldoende. Daarvoor moet hij tevens de verspreiding en het verloop van indicatorsoorten te volgen: soorten die indicatief zijn voor de natuurkwaliteit van een terrein. De beheerder heeft daar echter nauwelijks tijd voor. Hij is daarvoor afhankelijk van deskundige vrijwilligers. Zo hebben vrijwilligers in onze gemeente terreinen geïnventariseerd op bepaalde soorten planten, zoogdieren, amfibieën, reptielen, dagvlinders, loopkevers en mieren. Om de betrouwbaarheid van de resultaten te waarborgen zijn voor het inventariseren van diverse diergroepen handleidingen gemaakt door particuliere gegevens beherende organisaties (PGO’s).
Om ontwikkelingen in een terrein te kunnen volgen zal de beheerder moeten vaststellen wat hij zou willen (laten) inventariseren en waarom. Redenerend vanuit dit doel zou in overleg met vrijwilligers kunnen worden nagegaan welke soorten en terreinkenmerken daarvoor in aanmerking komen, welke methoden kunnen worden toegepast en hoe de gegevens moeten worden aangeleverd om ze te kunnen gebruiken als leidraad bij planning en uitvoering van het beheer. In het algemeen zijn vrijwilligers goed te motiveren als ze bij dat alles worden betrokken (Fig. 3).
fig 3. Model overlegprocedure inventarisaties
Afhankelijk van de doelstelling kunnen soorten worden geselecteerd uit de volgende categorieën:
o Soorten die kenmerkend zijn voor de betreffende ecosystemen en bovendien kwetsbaar zijn
o Soorten waar andere soorten van afhankelijk zijn (bv. de rode bosmier als “paraplu –soort” voor mierengasten).
o Soorten die vervuiling, verdroging of vermesting indiceren
Gebruik kan worden gemaakt van een controle lijst (“checklist”). Voor ieder terrein kan men per taxonomische groep nagaan welke van de er voorkomende soorten beschermd zijn volgens de Flora- en Faunawet (FF -soorten), op de Rode Lijst staan (RL –soorten) of als doelsoort kunnen worden aangemerkt (DS –soorten). Voor het selecteren van doelsoorten dient zowel rekening te worden gehouden met het eigen karakter als met de geografische ligging van het terrein. Het heeft immers weinig zin doelsoorten op te voeren waarvan het habitat ontbreekt of die het terrein niet op eigen kracht kunnen bereiken.
Vermelding van deze soorten in een beheerplan maakt het gemakkelijker het verloop van de natuurkwaliteit van het terrein gedurende de beheerplanperiode te beoordelen. Idealiter zou het aantal FF-, RL- en DS- soorten dat in een terrein voorkomt niet veel kleiner moeten zijn dan het aantal van die soorten dat er potentieel kan worden verwacht. Als dat niet het geval is dan is het de moeite waard om uit te zoeken wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn. De beheerder kan zich dan bezinnen op maatregelen om de situatie te verbeteren.
Ook in het kader van de Gedragscode bosbeheer en de Gedragscode natuurbeheer kan gebruik gemaakt worden van zo”n controlelijst om te voorkomen dat soorten bij het nemen van beheermaatregelen worden geschaad. Zo kon dankzij beschikbare inventarisatiegegevens een slaapboom van de rosse vleermuis worden gespaard bij het dunnen van een bosperceel en kon er rekening gehouden worden met de verblijfplaats van een boommarter. Op het ogenblik wordt boswachterij Amerongen door vrijwilligers geïnventariseerd op het voorkomen van nesten van rode bosmieren opdat Staatsbosbeheer er rekening mee kan houden bij bosdunningen in het komende winterseizoen. In de praktijk blijkt nog steeds dat er soms bij het uitvoeren van beheermaatregelen ongewild beschermde soorten worden benadeeld of zelfs verdwijnen. Om dat te voorkomen kan de beschikbaarheid en de bruikbaarheid van inventarisatiegegevens voor de beheerder zeker nog worden vergroot. Daar staat tegenover dat de beheerder de vrijwilligers tijdig moet inschakelen opdat de inventarisatie in de goede tijd van het jaar kan worden uitgevoerd. Alvorens met de inventarisatie te starten zouden de volgende punten kunnen worden besproken:
o Betrouwbaarheid van determinaties
Voor zover vrijwilligers onvoldoende kennis van de te inventariseren soorten bezitten zouden ze door een deskundige moeten worden ingewerkt. .
o Bezoekfrequentie
Voor het inventariseren van sommige soorten, zoals vogels, zal een terrein vaker moeten worden bezocht. De minimale bezoekfrequentie is afhankelijk van de te inventariseren soort.
o Inventarisatie methode
Voor zover deze niet in een Handboek of een Inventarisatiehandleiding wordt vermeld kan een deskundige worden geraadpleegd. Een voorbeeld: voor het vinden van de Glanzende gastmier (Formicoxenus nitidulus), een beschermde parasitaire soort, kunnen nesten van rode bosmieren het beste ’s morgens worden gecontroleerd in de periode juli tot oktober.
o Rapportage
In een goede rapportage worden bijzonderheden vermeld die voor de beheerder bruikbaar zijn, zoals de plaats waar bepaalde soorten zijn waargenomen. Ook zou er bijvoorbeeld in een lijst van paddenstoelen kunnen worden aangegeven welke soorten op de grond voorkomen en welke op hout (de boomsoort kan daarbij worden vermeld). Belangrijk is ook dat de vrijwilliger, indien mogelijk, conclusies trekt uit de verzamelde gegevens ten behoeve van het terreinbeheer. Dat is vooral van belang voor specialisten op het gebied van ongewervelde dieren, bijvoorbeeld bij inventarisaties van loopkevers, mieren, sprinkhanen of dagvlinders.
Vrijwilligers beschikken soms over onvoldoende tijd om een inventarisatie volledig te kunnen uitvoeren. In de rapportage zouden dergelijke onvolkomenheden moeten worden vermeld.
Bij inventarisaties die periodiek worden herhaald om bepaalde effecten te kunnen meten zou een standaardmethode moeten worden toegepast (effectmonitoring). Monitoring door vrijwilligers kan echter ook gericht zijn op het globaal volgen van ontwikkelingen, bijvoorbeeld na ingrijpende maatregelen. Het gaat dan om een leerproces waarbij de deelnemers voor een belangrijk deel zelf de agenda kunnen bepalen (participatieve monitoring). Hun bevindingen zouden in een verslag kunnen worden verwerkt. Als er een financiële vergoeding voor deze werkzaamheden wordt gegeven kunnen kwaliteitseisen aan het werk worden gesteld.
Terugkoppeling naar vrijwilligers van wat er met hun gegevens wordt gedaan is essentieel voor de motivatie. Een interactieve aanpak waarbij vrijwilligers meebeslissen over de manier waarop zij natuurkwaliteiten willen monitoren kan daarnaast leiden tot een grotere betrokkenheid, waardoor zij zich mede verantwoordelijk gaan voelen voor het behoud van de kwaliteit van het gebied. De toename van het aantal vrijwilligers dat gegevens verzamelt over het voorkomen van soorten is een goed teken.
Communicatie
Om de effectiviteit van het inventarisatie – en beheerwerk te maximaliseren en om vrijwilligers blijvend te motiveren is regelmatig contact tussen de beheerder en de vrijwilligers noodzakelijk. Twee maal per jaar een overlegbijeenkomst lijkt voldoende: één in het vroege voorjaar om voorgenomen inventarisatie – en beheerwerkzaamheden te bespreken en één in het najaar om de resultaten te evalueren.
Bij de voorbereiding van beheerwerkzaamheden zouden ook geïnteresseerde burgers kunnen worden betrokken. Mensen die een terrein bijna dagelijks bezoeken beschikken in bepaalde opzichten over meer terreinkennis dan de beheerder. Deze zou goed gebruik kunnen maken van hun inzichten. Sommige terreinbeheerders voelen er echter niet veel voor om doel en werkwijze van beheerwerkzaamheden met burgers te bespreken. Ze vrezen daarmee de regie uit handen te geven of geconfronteerd te worden met kritiek. De tijd dat een boswachter zich bosbaas kon voelen is evenwel voorbij. Tegenwoordig zal hij rekening moeten houden met wensen van burgers. Terreinbeheerders die zich bewust zijn van mogelijke meningsverschillen en een discussie niet schuwen zullen burgers tijdig informeren over de reden van voorgenomen maatregelen, zowel in de pers als op locatie. Zo is door goede voorlichting de mening van veel burgers over dood hout in het bos drastisch gewijzigd. Het wordt nu zelden meer uitgelegd als verwaarlozing (Fig. 4 Dood hout leeft. Amerongse bos). Overleg over doel en middelen van het terreinbeheer kan veel commotie voorkomen, bijvoorbeeld ten aanzien van het kappen van exoten. Zo is er enkele jaren geleden in Doorn een actiegroep voor het behoud van sparren opgericht nadat de beheerder van de Kaapse bossen douglassparren had laten kappen. Pas na uitleg in het veld en voorlichting via de pers is er meer begrip bij de actievoerders ontstaan. Burgers die door de beheerder serieus worden genomen in hun interesse voor de natuur zullen zich ook betrokken gaan voelen bij beheerwerkzaamheden. Des te gemakkelijker zullen ze inzetbaar willen zijn als vrijwilliger. Het aantal vrijwilligers is in de afgelopen 40 jaar dan ook geleidelijk toegenomen.

Met dank aan dr. Frits van Beusekom (oud –directeur van Staatsbosbeheer) voor het kritisch beoordelen van de tekst.
Bram Mabelis is ecoloog. Op het voormalige Rijksinstituut voor Natuurbeheer (afdeling Adviezen en Algemeen Onderzoek) was hij onder andere betrokken bij het beoordelen van Beheerplannen en de Biologische Beheerverslaglegging van natuurterreinen. Thans is hij gastmedewerker van Alterra, Wageningen UR (e-mail:
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
). Als contactpersoon van de Adviesgroep Natuurbeheer (gemeente Utrechtse Heuvelrug) kan hij vragen over natuurbeheer doorgeven naar deskundigen.
* Mabelis, A.A., 2010. Moet vogelkers bestreden worden? Dorp & Natuur 54: 7-9.